woensdag 24 december 2008

Kerstgroet

Een Kerstgroet uit Jeruzalem. Zou een mens op religieus gebied nou wijzer worden van een jaar Jeruzalem? Zou het beter Kerst vieren zijn hier? De Oude Stad biedt reusachtige opblaaskerstmannen, in huis heeft sympathiek genoeg joodse huisgenoot Ben dennengroen opgehangen (maar we hebben geen stofzuiger).
Ik was toe aan een lange wandeling. Een dagje op mijn eentje, buiten, genieten van het ritme van mijn stappen en van het ontdekken van nieuwe paden. Ik voel me altijd weer een beetje een achtjarige als ik zoiets doe. Toen was ik dol op zwerven en verdwalen, niet weten waar ik uit zou komen. Nu had ik wel een doel voor ogen: Hebron, de stad van aartsvader Abraham. Ik nam een busje van Damascus gate- een busje naar het zuiden dat via een settlerroad rijdt, zodat je het checkpoint haast ongemerkt passeert. Ik wilde geen soldaten zien, ik wilde Kerstgevoel. Ik zou wel zien hoe ik in Hebron zou komen- het ligt precies ten zuiden van Jeruzalem, dus erg moeilijk kon het niet zijn. Twee minuten, dan vertrekken we, zei de chauffeur toen ik ’s ochtends zeer vroeg het busje in stapte. Vertrouw op dat gebied nooit een Palestijn. Twintig minuten waren we nog niet op pad, en ik zat me te verbijten. Nee, geduldiger ben ik hier niet geworden. Er waren inmiddels twee bejaarde nonnen ingestapt, met passende wijze en vriendelijke uitstraling, die naar de Geboortekerk in Bethlehem gingen. Een duo vrienden stapte in, kennelijk op weg naar iets als een sociale werkplaats. De chauffeur deelde snoepjes uit (‘geef die buitenlandse ook wat’). De vrienden zongen liedjes, en babbelden links en rechts. Het was een prachtige bus met prachtige mensen, realiseerde ik me. Die gedachte bleek het prima uit te kunnen houden naast mijn ongeduld.
Eenmaal in Bethlehem besloot ik met de nonnen uit te stappen- de Geboortekerk is geen gek punt om te starte. Vanaf daar liep ik naar Beit Sahour, richting het oosten, zoals ik pas later bedacht. Ik kwam langs de herdersvelden, eerst de velden die door de Westerse kerken in ere worden gehouden, toen de oosters-orthodoxe, ach, ook toepasselijk. Vlakbij het settlement Tekoa (van Amos) nodigde een pater familias me op de koffie. Het was juist half elf, en ik zei gaarne toe. De familie verzamelde zich, er waren koffie, brood, olijven en kabbelende gesprekken over het weer, Nederland, de Westbank, de zegeningen van het huwelijk. Met een brood en een fles olijven in mijn tas ging ik weer op weg. Nog geen vijf minuten later stopte een legerauto naast me. Een energieke commandant sprong eruit, van zins de regie over mijn tocht in handen te nemen. Vijf ondergeschikten in de jeep sloegen het gesprek gade. De soldaat betoogde dat hij zich verplicht voelde mijn omzwervingen een halt toe te roepen. Er zou ieder moment een Palestijn kunnen opduiken, en die zou dan natuurlijk met stenen gaan gooien. Ik zei dat ik dacht dat het wel mee zou vallen, en maakte aanstalten om door te lopen. Hij belde een hogergeplaatste, die ik aan de lijn kreeg. Wat ik aan het doen was. Ik legde uit dat ik vaker in de Westbank heb gewandeld, en dat ik aan die tochten warme herinneringen heb. Aha!, zei hij, ik snap het al, jij bent zeker van een of andere humanitaire organisatie. Het klonk als: zo te horen ben jij één van die goedwillende, zachtaardige, doch verblinde en wereldvreemde zielen aan wie wij onze handen vol hebben. Later pas bedacht ik het antwoord: ja, daar zit wel wat in. Of je het een organisatie moet noemen, daarvan ben ik niet zeker, maar het heet het Koninkrijk van God, iedereen mag mee doen (maar laat dat machinegeweer ajb thuis), het timmert al een hele tijd aan de weg, met wisselend succes. En inderdaad, misschien komen we wat wereldvreemd over. Omdat we hoop niet zozeer ontlenen aan de tastbare dingen om ons heen (zo hoopvol zijn die niet op de Westbank), maar aan… tja, een kind een kribbe, die een rabbi werd die door deze heuvels trok. Een jonge vrouw die zingt van een andere wereld. En daarbij wil ik dan ook nog aantekenen dat dat juist niet wereldvreemd is. Het hele absurde verhaal van God die zichtbaar wordt in een kind is aanleiding om vol aandacht en waardering te zijn voor het aardse.
Maar goed. Ondertussen dreigde mijn tocht daar te eindigen- de soldaat was van plan me op een Israëlische bus naar Hebron of Jeruzalem te zetten. Ik had een beter idee: kon ik niet een Arabisch busje richting Hebron nemen? Prompt kwam er zo’n minibusje de hoek omzetten. De soldaat maande dat te stoppen, beval de chauffeur mij naar Hebron te brengen, en ik nam plaats tussen argwanende Palestijnen. Ik groette maar eens extra hartelijk. In het eerstvolgende plaatsje, de Arabische variant van Tekoa (van Amos), stapte ik uit (lopen? zei de chauffeur, maar je kunt gewoon meerijden-gratis!) en liep verder. Over steile heuvels, een settlement nooit ver weg, vriendelijke joden en Palestijnen ook niet, de muur ergens op de achtergrond. Zo is de realiteit.

donderdag 11 december 2008

nieuw adres

Gezien de aanstormende feestdagen leek het me een aardig idee mijn adres hier te plaatsen.
Voor al uw kerstkranzen, -koekjes en - kaarten:

Janneke Stegeman
Hillelstreet 28/19
94851 Jerusalem
Israel

dinsdag 9 december 2008

subtiliteiten van taal

Met de trein reizen geeft me zo’n prettig gedistingeerd gevoel- treinen zijn mooi, bewegen zich sierlijk, en datzelfde spoor waarop ik nu rijdt, strekt zich uit tot Cairo, tot wie weet waar. Dus ging ik met de trein naar mijn afspraak in de buurt van Haifa, hoewel de trein hier bekend staat om z’n sukkeldrafje en het station bovendien in één van de uithoeken va de stad gevestigd is. Dat het heel rustig was op het station, was geen verrassing. Ik werd verwelkomd door de lanterfantende medewerker-van-de-roltrap die me doorverwees naar zijn collega van de kaartjesautomaat. Er was ook een balie, maar die was onbemand. Net als de NS is men hier overgegaan op automaten, en net als in Nederland weten bejaarden en buitenlanders niet hoe dat werkt. Anders dan in Nederland is daarom de voormalig baliezittende niet ontslagen, maar tewerkgesteld bij de automaat.
We vertrokken. De trein wentelde zich traag door het prachtige heuvellandschap ten noord-westen van Jeruzalem. Al snel knikkebolde ik. We deden stationnetjes aan in van die rommelige betonnen Israëlische stadjes. Het werd drukker in de trein. Naast me nam een moeder met twee meisjes plaats, tegenover me een student. De moeder deed telefonisch zaken door de telefoon, en was tegelijkertijd haar dochtertjes behulpzaam die al chips etend in slaap vielen (hoe kinderen dat doen: het handje met chips gaat naar de mond, terwijl de ogen al dicht vallen). Ik vroeg haar hoe ver het was van Haifa naar Ibilin, het Arabische stadje (in Israel) dat mijn uiteindelijke reisdoel was. Dat deed ik in het Arabisch, want dat was de taal waarin ze haar dochters vroeg of ze het warm genoeg hadden. Haar gezicht klaarde op, en haar ogen twinkelden toen ze antwoordde. Eenmaal in Haifa liep ik, hongerig, een bakker binnen en vroeg naar een busverbinding naar Ibilin. De bakkerij bleek in Arabische handen, en ook hier een verheugde reactie toen ik overschakelde van Hebreeuws naar Arabisch. (Waarin het noorden van Israel verschilt van Jeruzalem: hier is geen gescheiden Arabisch/Israelisch busvervoer, maar rijden Israëlische bussen ook naar Arabische dorpen. Het laat zien dat de verhoudingen hier iets minder op scherp staan.) Ook de man uit Hebron die bezig was het appartement onder ons te verbouwen en vorige week wist te voorkomen dat een kapotte kraan de boel bij ons onder water zette, was haast nog dankbaarder dan wij hem waren, dat twee dames in West Jeruzalem een woordje Arabisch ten beste gaven. Voorbeelden te over. Als ik het meisje bij de kassa in de supermarkt van de uni bedank in het Arabisch, glimlacht ze, maar kijkt ze ook haast beschaamd, alsof het niet netjes is hier zomaar Arabisch te praten.
Naast dat dit soort ervaringen oppeppers zijn voor mijn voornemen die taal enigszins onder de knie te krijgen, maakt het me er nog eens van bewust hoe zo’n gevoelig instrument taal is- en zeker hier. Ik weet dat ik me een andere en lenigere versie van mezelf voel als ik weer eens Nederlands kan spreken. Sytske (die in Beit Sahour bij de YWCA werkt, sytske.wordpress.com) strooit altijd gul met shukran’s, ilhamdullilah’s en andere Arabische kreten in West Jeruzalem. Mijn reactie is er in eerste instantie één van lichte schrik- oeps, verkeerde taal! Zij: het kan geenszins kwaad als joodse Israeliers ontdekken dat Arabisch ook gesproken wordt door lange blonde vrouwen- en gelijk heeft ze. Joodse Israëliërs (ik meen de helft van hen) voelen zich onprettig als ze Arabisch om zich heen horen, zo bleek uit onderzoek. Een Arabische vriend vertelde dat hij Engels spreekt met zijn vrienden als ze een restaurant in West Jeruzalem bezoeken. Zondag was ging ik met Ben naar het stadhuis om huiszaken te regelen (terloops warm water: check!, koelkast: check!, bed: check!, bureau: check!). De meeste medewerkers spreken Hebreeuws- Arabisch is officieel de tweede taal van het land, maar dat betekent niet dat je er overal mee terecht kunt. Niet alle Palestijnse inwoners van Jeruzalem zijn het Hebreeuws machtig (in het noorden is ook dat anders). Een gesluierde vrouw en haar dochter meldden zich bij de inlichtingenbalie. Ze werden doorverwezen naar Sami- Arabische naam- balie zus en zo. Nu maar hopen dat Sami de dienst verstrekt waarom zij kwamen. (Het spreekt nu eenmaal niet voor zich dat je het pand verlaat met de handtekening/ het formulier/ de informatie waarvoor je je vol goede moed meldde. Ben en ik hadden geluk: een zwartharige, groenogige en bovenal daadkrachtige dame ontfermde zich over onze zaak).
Andersom ligt het naar mijn ervaring iets anders: joden die op sabbat boodschappen doen in Oost Jeruzalem, worden in het Hebreeuws te woord gestaan. Toen ik een jonge vrouw de weg vroeg in Ibilin, begon ze automatisch in het Hebreeuws te antwoorden, en lachte toen ze dat ontdekte. Ook wat dat betreft is het noorden anders: de meeste Palestijnen daar, hebben Hebreeuws geleerd op school.
Hoe dan ook, je moedertaal is deel van je identiteit. En in dit land is de taal van de ander de taal van de overheerser, of de onbegrijpelijke, dreigend klinkende taal van een groep mensen die ook in jouw land wonen, maar die je niet helemaal vertrouwt. Net als de Palestijnse Israëliërs zelf, hoort hun taal niet bij wat dit land volgens velen wil zijn- een joodse staat- maar is een bedreiging daarvan. Dus is het, vermoed ik, erkenning, bevrijding, als een vreemdeling zich plots in je eigen taal tot je richt.

zondag 7 december 2008

Sinterklaas

Komt de Goedheiligman ook naar Jeruzalem? Ja, dat doet hij. De eerbiedwaardige eminentie schrok er niet voor terug deze stad te bezoeken- de stad die zo mooi is als een ieder z’n culturele schatten deelt en er niet van terugschrikt zich door andermans schatten te laten verrijken. Daarom een Sinterklaasfeestje in ons nieuwe huis (d.w.z. dat van Audra, Matt, Ben en mijzelf). Ik maak slechts terloops melding van alweer een verhuizing, en de vraag of ik er nu op vooruit ben gegaan, laat ik maar geheel buiten beschouwing, laat staan de vraag hoe ik me heb ontwikkeld sinds ik goed acht jaar geleden mijn eerste studentenkamer in een slooppand aan de Meerhuizenstraat betrok (soms is er geen warm water, soms in het geheel geen water. In plaats van de majestueuze Heilige Grafkerk verrijst voor het raam het grijze beton van hartje West Jeruzalem (en het prachtige museum voor Italiaans joodse kunst). Non-communicatiefs nauwelijks waarneembare presentie is verruild voor een filiaal van de Meat Burger- ideale tent voor de stappende en naar vette happen snakkende jeugd, want zelfs op vrijdagavond tot een uur of vier open. Inderdaad, ook dit maal is de communicatie eenzijdig). Maar goed, de gebeurtenissen van vrijdagavond. Ben kwam terug van Kol haNishama- een sympathieke synagoge waar de dienst wordt afgesloten met een vredeslied op de melodie van Taizé’s Jubilate Deo. Dat alleen is voldoende om een mens diep te raken, maar dit maal, zo vertelde Ben, werd dat lied bovendien opgedragen aan de Palestijnen in Hebron, vanwege het kolonistengeweld dat afgelopen week zeer hevig was. We vierden het begin van de Shabbat, en brood en wijn gingen naadloos over in soep en andere gerechten met kaneel en kruidnagel, terwijl de gasten binnendruppelden. Een gezelschap van ongelovigen en onwetenden, alsmede twee Nederlanders verzamelde zich in ons nog grotendeels meubbelloze, doch van drie balkons voorziene appartement. Aan de drie Nederlanders de taak een rijk stukje Hollands erfgoed over te dragen. Dat was helemaal niet moeilijk- frappant hoe een Turkse heilige vermag joden, christenen en moslims broederlijk samen te brengen. Zet een groep mensen in een kring, een wasmand met cadeautjes en een paar gedichten in het midden, leer hen ‘Sinterklaas Kapoentje’ en zie, het heerlijk avondje is gekomen.

maandag 1 december 2008

Pesach en Pasen

Het loopt tegen Pesach en Pasen. Deze week was ik te gast in bij een joods gezin, geheel opgeslokt door de Pesach schoonmaak: tijdens Pesach mag je niets waar gist in zit in je bezit hebben, en alles wat met gist in aanraking is geweest, moet gereinigd. 'Van Egyptische slavernij naar rabbijnse voorschriften- wat zijn we ermee opgeschoten', verzuchtte de gastvrouw. Het is geen sinecure om een modern huishouden met magnetrons en afwasmachines en wat dies meer zij gistvrij te maken. Op internet zijn lange handleidingen te vinden om het huis ook van het laatste spoor chametz te ontdoen. Sommigen boeken een hotel om aan de schoonmaakstress te ontkomen, anderen hebben zelfs speciale Pesachtelefoons- want wat als er een broodkruimel tussen de toetsen is geraakt? Er zijn prachtige oplossingen voor netelige situaties: wie juist een jaarvoorraad cornflakes had ingekocht, en zich er onprettig bij voelt die zomaar bij het oud vuil te zetten, kan de chametz verkopen aan een niet-jood, of zelfs de locatie waar die zich bevindt (bijvoorbeeld de trapkast) tijdelijk verhuren. Het leidt ook tot culinaire inventiviteit: huisgenoot Ben bakt ongelooflijke Pesachbrownies, de supermarkt staat vol kokosvariaties.
Pasen kan ik twee keer vieren: één keer R.K./protestant, en een week later nog eens met de orthodoxe kerk.
En er is een nieuwe regering. Van een joodse vredesorganisatie (Jewish Voice for Peace) kreeg ik een mail met een alternatief antwoord op de Sedermaaltijdvraag 'waarom is deze avond anders dan andere avonden?'

woensdag 26 november 2008

geengageerde intellectueel

De zomer is terug- ze is op een enkele regenachtige dag en een paar koude avonden na nooit echt weggeweest. Maar zou dit Nederland zijn, dan stonden er vandaag files richting strand.
Ik besloot dus de fiets te pakken naar Beit Jalla- geinspireerd door Sytske die laatst op een avond zomaar uit Beth Sahour (BJ en BS zijn buurdorpen van Bethlehem) kwam pedaleren. Het verandert de checkpoint ervaring volledig, dat Fahrrad. 't Wordt bijna leuk (schrijf ik met aarzeling), 't gaat snel en met de heuvels omhoog valt het mee- zowel heen als terug heb ik het idee vooral naar beneden te zeilen (al benzine happend, dat wel).
Ik had daar in Beit Jalla een afspraak met dr. Geries Khoury. Toen ik de deur van zijn kantoor weer achter me sloot, stond me opeens helder voor ogen wat ik wil worden: een geengageerde intellectueel met een groot houten bureua en een goede fiets (in een land met een fietsvriendelijk klimaat). Een belangwekkend moment (één der zegeningen van de Westerse cultuur: vanaf je kleuterschooldagen mag je in de rondte fantaseren over wat je wil worden, en op je 28e hoeft de knoop nog steeds niet te zijn doorgehakt). Is dr. Khoury zo'n inspirerend man? Wat zal ik zeggen. Hij resideert in een onopvallend gebouwtje in Beit Jalla dat matcht met zijn bebrilde, kalende en buikige gestalte. Twee Palestijnse meisjes houden de administratie draaiende, hijzelf zit achter een bureau temidden van boekenkasten vol werken in Italiaans, Arabisch, Engels en Frans. Hij is 2x doctor (in de theologie en sociologie, als ik het wel heb). Met halfgesloten ogen en samengevouwen handen oreert hij over uiteenlopende onderwerpen, en pas tegen het einde van het gesprek herinnert hij zich de doos chochola op zijn bureau (die ik al veel eerder had opgemerkt). Hij heeft het over een Middeleeuwse Islamitsche wijsgeer in wiens werken hij een prijzende regel ten opzichte van Arabische christenen was tegengekomen. Dat heeft hem ertoe aangezet AlLiqa ('De ontmoeting') op te richten. Palestijnse Moslims en Christenen in dialoog brengen is zijn doel, en waar mogelijk betrekt hij ook joden daarbij. Ontwikkelen van Palestijnse contextuele theologie staat ook op het program. Ik geniet in stilte: een voor een leek tamelijk obscure wetenschappelijke interesse, gekoppeld aan maatschappelijk engagement en aktiebereidheid.
Als ik iets zeg, sluit hij zijn ogen helemaal, en bladert bovendien in een Arabische bijbel is (wat wel te verdedigen is, want ik heb het natuurlijk over de man die mijn wakkere uren beheerst: Jeremia). En dan maakt hij wat verstandige opmerkingen over God in het gesprek brengen. God, die dan niet aan mijn kant of de jouwe staat, maar die onze belangen overstijgt. Het land bijvoorbeeld is van God, en het is aan ons er een aangename woonplaats van te maken. Maar dan trekt hij on-intellectueel kordaat zijn agenda, en we prikken een lijstje data voor ontmoetingen met Palestijnse christenen, die dan Jeremia gaan lezen. Joechei!

zondag 23 november 2008

dansen tot vergetelheid

Donderdagavond ging ik dansen met Sytske. In een West Jeruzalems uitgaansoord troffen wij een uitbundige groep alternatieve Israeli’s. Het stond al weken op het program, maar steeds heb ik Sytske teleurgesteld. Dit keer niet. Ik heb aangekondigd dat ik meega, omdat ik van dansen hou en het me goed zal doen. Goeie muziek, alternatieve, leuke Israeliers, die proberen zich het leven zo aangenaam mogelijk te maken. Maar ik pas er niet tussen vanavond.
Die dag namelijk nam Meta mij en nog zeven Nederlanders (deelnemers aan de Sabeel conferentie) mee. Naar plekken die je de rafelranden van Israel zou kunnen noemen, maar die meer laten zien van wat dit land is dan het pseudo-onbezorgde West Jeruzalem. De dag drukt me met de neus op de feiten. Het is flink mis in dit land.
Ons eerste reisdoel Hebron. Ik heb er veel verhalen over gehoord. Hoe absurd de situatie daar is, hoe agressief de joodse kolonisten. Maar nu ben ik er zelf. Zie hoe een groepje schoolkinderen zich door een checkpoint in de stad wringt. Zie checkpoints in de stad. Proef de doodse sfeer in het gedeelte dat in de handen van kolonisten is. Hebron, afgeleid van het Hebreeuwse chaveer, vriend. In het Arabisch: Al Galil, eveneens vriend. Want het is de stad van Abraham en Sarah, ons aller aartsvader en –moeder. Ook van de kolonisten. Zij beschouwen zichzelf als de voorhoede van de Israëliërs, moedige bewoners van een vooruitgeschoven post, die helaas door de regering gediscrimineerd worden.
Een eindje verder ligt het dorpje Um alGer (een poëtische naam: moeder van het licht, of de vreugde- mooi ook is het hier, nog niet eerder was ik zo ver in het zuiden van de Westbank). Ook hier kolonisten, Carmel ziet er uit als een modeldorp. Er is een hek omheen gebouwd, en direct daarnaast staan de armoedige huisjes en tenten van de inwoners van Um alGeer. Het is de gebruikelijke tegenstelling van Israeliers die het goed voor mekaar hebben en Palestijnen die tussen puinzooien leven. Goed om je realiseren dat de bewoners van het volgens internationaal recht illegale nederzetting kunnen rekenen op alle voordelen van het Israëlische burgerschap, plus nog extra belastingvoordelen en lage huizenprijzen- omdat ze kolonisten zijn. De bewoners van Um alGer zijn Palestijnen, bedoeinen om precies te zijn. Elk van hun huizen kan ieder moment verwoest worden door de Israëliërs. En dat is, net als in Oost Jeruzalem, geen theorie. We ontmoeten een vrouw. Ze zit voor haar Rode Kuistent, naast de brokstukken van haar zopas verwoeste huis. Eén van haar acht kinderen ligt in haar schoot. Ze herhaalt steeds: deze tent heeft geen muren, geen dak. Als het regent, loopt alles onder. Haar man heeft nog drie vrouwen, geld is er niet. Het is niet echt een dorp- van de voordelen die het leven in een dorp doorgaans biedt (water, elektriciteit, een veilige plek) heeft het alleen saamhorigheid en gastvrijheid. Een mooi meisje van 21 vertelt dat ze sociale hulpverlening heeft gestudeerd. Geen werk is er. Hoe is het leven hier, vraag ik haar. In de lente gaat het wel, verder is het zwaar, zegt ze. Ach, de lente, hoe lang duurt die hier ten zuiden van Hebron? Anderhalve maand, hooguit. Verder is het hier meestal snikheet, en anders regenachtig en koud.
Zal ik nog meer vertellen?- de dag bood meer varianten van ellende dan ik kan verwerken. De reis ging verder naar Al Tuwani, ook Westbank, ook kolonisten een heuvel verder, ook voor ieder huis een demolition order. De kinderen van een dorp verder gaan in Al Tuwani naar school. Onder bewaking van het leger, want ze worden wel eens met stenen bekogeld door kolonisten. Eerder deden mensen van het Christian Peacemakers Team dat, tot één van hen in het ziekenhuis belandde. Het leger verbood toen dat zij nog langer mee zouden gaan. (Ik kan me adequatere reacties voorstellen, maar deze past wel in het plaatje). Kinderen, bekogeld door volwassenen. Verhalen die we in Hebron ook al hoorden.
Tot slot rijden we de Westbank uit naar Israel. Een dame van een co-existentie organisatie stapt in. Zij, misschien, is nog het meest een doorsnee burger. Maar een afvallige is ze, iemand die niet meezingt in het koor dat verkondigt dat Israel een democratie is. Ze neemt ons mee naar een Bedoeïenendorp onder Bersheva. Het is een niet-erkend dorp. De volgende dag vertel ik aan Audra: We visited an un-recognized Bedoein village. Zij: ‘So how was Meta able to recognize it?’ Dat geeft de absurditeit van de situatie wel aan. Hier wonen een paar duizend mensen (in totaal wonen er 76.000 Bedoeienen in niet-erkende dorpen). Die zie je niet zomaar over het hoofd. Maar de Israëlische regering lijkt daar toch in te slagen. Het dorp heeft geen voorzieningen- geen water, elektriciteit, de regering voorziet niet in scholen, geasfalteerde wegen, vuilnisophaaldienst of wat ook. Je vindt het dorp op de kaart niet terug. Voorheen trokken de Bedoeienen door de hele Negev met hun kudden. Nu zijn ze teruggedrongen naar deze rij heuvels, onder de rook van chemische fabrieken- een hoog percentage gevallen van kanker en huidziekten is het gevolg
Dit is geen achtergebleven gebied- dit is de democratische staat Israel. Dit zijn geen mensen die niets kunnen of niets willen. Dit zijn mensen die geblokkeerd worden in hun pogingen iets van hun leven te maken. De bedoeïenen hebben zelf scholen gebouwd, zodat hun kinderen (en dat zijn er niet weinig) scholing krijgen. Zijn al meer dan twintig jaar bezig met rechtzaken om een veilig en erkende plek om te leven te krijgen. Maar tot nog toe 0 op het rekest. Op ieder huis rust een demolition order. Wie durft te investeren in verbeteringen? Groei, ontwikkeling, hoop, dromen, vooruit!. Die wens, trouwens ook humor, zie ik in de ogen van Ibrahim, de man die ons ontvangt, koffie en thee serveert rondom het vuur en een glimpje laat zien van wat zijn leven is.
En dan de vraag naar koffie drinken, studeren, relaxen in West Jeruzalem- een deel van mijn leven hier. De dans der onwetenden, onverschilligen, of degenen die trachten te vergeten. Wat die laatsten betreft: ex-soldaten van Breaking the Silence zijn zo moedig te vertellen over wat ze in Hebron hebben gezien en zelf uitgevreten (zie www.shovrimshtika.org/index_e.asp).
p.s. De tent van de familie Al Kurd uit het vorige bericht is vernield door het Israelische leger
p.s. 2 Ik ga opnieuw verhuizen, naar West Jeruzalem, met Audra, Matt & Ben. Het appartement heeft vooralsnog geen meubels, maar ook geen demolition order, en de huisbaas is een knuffelbeer (guitige oogjes, het ene oor wat groter dan het ander). Tot zover de berichtgeving over burgers, tenten en huizen.