vrijdag 3 oktober 2008

deel II: Wild West West ...

... bank. Die dus bedrieglijk tam lijkt, vanuit Zebabdaans perspectief. Maar vergeet het maar. We rijden twintig minuutjes door groen golvend landschap naar Djalawi checkpoint. Dat is er zo één waar je in principe alleen lopend doorheen kan. Maar Fadi heeft gebeld, en men verzekerde ons doorgang.
Tja, over checkpoints kan men verhalen blijven vertellen, lange en droevige, soms tragikomische, verhalen. Als je denkt dat je zo ongeveer het klappen van de zweep wel kent, blijken er nog veel meer varianten te zijn. Wat is nou eigenlijk een checkpoint? Je zou ze allemaal moeten bezoeken, meerdere keren en op alle tijdstippen van de dag, en in verschillende vermommingen (als diplomaat, als alternatieve westerling, als Palestijnse vrouw, als Palestijnse jonge man) en dan zou je zo langzamerhand iets uit kunnen abstraheren.
Maar aangezien de meeste mensen al die ervaringen niet in zich verenigen- omdat je maar één identiteit hebt, en op één plek woont, omdat het ook allerverschrikkelijkst zou zijn al die checkpointen af te gaan, extrapoleert een ieder dan maar toevallige ervaringen tot een algemeen plaatje: zus en zo is een checkpoint. Zo ook de soldaten, of en dat was nieuw voor mij, de burgers die werken als checkpoint bewaker (nota bene!) . Ook zij denken dat het bij alle checkpointen gaat zoals bij het hare of zijne, en dat dat de normale gang van zaken is. Maar, wallahi, een checkpoint is niet normaal, per definitie niet, en bovendien en daarenboven: dit is de Wild Wild Westbank, waar wat gister waar was, morgen, of voor de persoon die achter je staat, anders is.
We arriveren bij Djalawi, slalommen om de busjes heen naar het hek, dat natuurlijk dicht zit. Ik zwaai naar de toren waarin ik soldaten vermoed. Na enige tijd verwaardigt één der achttienjarige zich zijn donkere kopje uit de toren te steken. Wij zijn de aangekondigde drie (Meta heeft zeer vroeg die ochtend een bus naar Jeruzalem genomen) Hollandse dames. Kan de poort misschien open? Welnee, zo snel gaat dat niet. Eerst paspoorten controleren. Dubbelgevouwen gaan de paspoortjes door het gaas. Een uur later wordt er nog druk heen en weer gebeld tussen soldaat met legertelefoon en controleur X ergens elders. Nog vijf minuten. Even later nog twintig minuten. Ik dring aan: wat valt er zoal te controleren aan die blinkende paspoortjes van ons? Het is allemaal zeer ingewikkeld en zeer belangrijk alsmede tamelijk geheim, mompelt de soldaat. Ik wenk één van zijn collega’s, in de hoop dat die communicatief tot meer in staat is. In ieder geval biedt hij een nieuw perspectief: het probleem is dat er niemand is om onze auto te controleren. De blinkende bolide is plots een blok om ons been. Ach, zeg ik, dan werp jij toch een blik in de achterklep? Zo gaat het meestal bij andere checkpoints. Even de achterklep open en yalla. Maar ben je gek, wel nee, daar is hij niet voor opgeleid! Inmiddels zijn er twee uren verstreken. Ik zeg dat wij, aangezien we gekomen zijn vanwege de toezegging dat we er door mochten, niet van zins zijn na zo lang wachten met hangende pootjes af te druipen. Of hij dat aan zijn weet-ik-veel kolonel of zoiets wil doorgeven. Dat gebeurt. Nu krijg ik de commander zelf aan de telefoon, en daarna nog iemand, en nog een nummer om te bellen. De meneer aan de andere kant van de lijn zegt dat we alleen door mogen als we een kartonnetje hebben dat er melding van maakt dat we voor een internationale organisatie werken. Hebben we niet. Argumenteren – wij willen Eretz Yisraeel zien, morgen gaan mijn vrienden weer naar huis, moeten zij het zonder de Kinneret doen? En Iris moet zondag preken over kerk en Israel! Wat moet ze zeggen over de Israëlische gastvrijheid? De soldaten hebben wel gevoel voor onze frustratie, maar ja, zij volgen de bevelen van de niet te vermurwen stem aan de andere kant van de lijn. Dus druipen we, na dik drie uur, echt af. Ik heb zin om het op een huilen te zetten.
Wat verder te doen? Eerst maar eens zorgen dat we die Westbank uit komen. En zo makkelijk is dat niet. Het volgende checkpoint dat we proberen is dicht. Wij hebben inmiddels het gevoel dat we een spelletje Levend Ganzenbord aan het spelen zijn- vijf beurten overslaan, u staat bij een checkpoint. U bent in een flying checkpoint gevallen! Terug naar af. Maar laten we de dobbelsteen nogmaals werpen. Twintig minuten verder is er nog een checkpoint. Die dan maar. De weg ernaar toe is een settlers only exemplaar. In principe geen probleem met ons stralend gele Israëlische nummerbord, behalve dan dat de soldaten ons ontmaskeren als toeristen. En plots blijkt er de regel te bestaan dat toeristen niet van zo’n weg gebruik mogen maken. En trouwens, waar zijn jullie de Westbank binnengekomen? Qalandia? Nou, dan moeten jullie er daar ook uit. En trouwens, waarom hebben jullie geen visum gekregen bij Qalandia? Huh, denk ik. Hoezo, daar er ook uit, hoezo visum? Nooit van gehoord. Bij Qalandia loop of rij je altijd gewoon door. De soldaat denkt van niet. Andermaal wachten. Een gunst is het die deze soldaat ons verleent, dat hij met weer zo’n hogergeplaatste op afstand, overlegd over ons lot. En ja, we mogen door. Ga maar proberen of je verderop door het checkpoint komt. Dus dat doen we. Weer een verrassing. Dit met bloemperkjes versierde checkpoint is bevrouwd en bemand niet door soldaten, maar door burgers. Huh? Goed, dat het leger vanuit Israelisch perspectief bevoegdheden heeft de Palestijnen onder de duim te houden- ik ben het er niet mee eens, maar ik begrijp het mechanisme. Maar om nou plots een gewone burger te treffen die een machinegeweer op onze auto richt, ons sommeert onze spullen in een winkelwagentje te stoppen en plaats te nemen op een bankje, terwijl hij met een hond onze auto aan nader onderzoek onderwerpt. Raar. Hoe zou je dat presenteren op verjaardagen en partijen? Ik werk in de dienstverlenende sector. Of: ik handel in korte termijn veiligheid. Of misschien gewoon: ik werk in het circus. Als leeuwendompteur. En soms klus ik wat bij als clown.
Eindelijk dan toch. Tegen zessen rijden we het beloofde land binnen. Murw. Moe. Zat ervan en te laat om nog naar Galilea te gaan.

deel één van een tweeluik: the Wild Wild West..

... bank. Het leek ons (Iris, Elke en mijzelf) leuk nog wat meer van de streek (namelijk niet alleen Israel, ook de losse snippers die doorgaan voor de Palestijnse gebieden) te zien. Eerst een dagje Westbank: Ramallah, Nablus, priester Fadi in fijn Zebabdeh, en dan doorsteken naar mooi en pastoraal Galilea. Meta wilde dat Zebabdeh waarover ik mijn mond altijd zo vol heb ook wel eens zien. En wij wilden haar graag mee. Dus huurden we een auto- bij een verhuurder wiens auto’s ook in de WWWB verzekerd zijn.
We krijgen een pronte Chevrolet onder onze bipsen, en zo gaan we op pad, de auto schuddend van onze lol en verwachting. Achter de voorruit mijn roze kefiyyeh, om Palestijnen duidelijk te maken dat het goed volk is, ondanks de gele (dus Israëlische, dus potentieel aan settler toebehorende) nummerplaat (ben wel zwart, maak ‘k meen het goed). Bij het naderen van een checkpoint verhuist de dan plots discutabele kefiyyeh naar het handschoenenvak. En wat ging het makkelijk! Bij Qalandia kunnen we zo doorrijden. We brengen een bezoek aan de Gerizim, de heilige berg van de Samaritanen. Een besloten gemeenschap en een wereld op zich- zie los blogje. Zelfs Huwara checkpoint is geen probleem- geen auto komt hier doorheen, alle Palestijnen stappen aan de ene kant uit de bus, en gaan aan de andere kant per taxi verder. Wij, bevoorrechte Westerlingen in onze koningsblauwe dikke auto, wel. We banen ons een weg door bepakte en bezakte Palestijnen en toeren even later door Nablus’ brede straten. We maken een stop voor falafel, doen een rondje oude stad en ik informeer waar we koffie konden drinken. Nou, daar dat gebouw in en dan de lift naar de vierde verdieping. Vier Hollandse dames van wie twee witblond treden binnen. Als één man keert de voltallige bezetting van het koffiehuis zich om, allen op één lijn voor het raam, lurkend aan een waterpijp, allen vanzelfsprekend man. Testosteron wappert ons tegemoet- een licht Even Apeldoorn bellen-achtige situatie. Vijftig paar donkere ogen houden ons in de gaten, terwijl wij onze koffie drinken en koekjes eten. Na een minuut of tien gaan wij maar eens kijken of er ergens anders nog een fuif is. Naar Zebabdeh. Rustig, mooi Zebabdeh, waar Fadi ons opwacht. Zijn vrouw Rubba heeft na jaren eindelijk een ID en kan dus Zebabdeb verlaten- ze is Jordaanse. Zij en Philip en Andrew zijn op bezoek bij haar familie- voor het eerst in jaren. Fadi staat nu alleen voor de schone taak ons Palestijnse gastvrijheid te betuigen. Hij slaat zich er goed doorheen. Terwijl we tomatensap en thee drinken, vertelt Fadi over het leven als predikant in een oorlogsgebied. Challenging, zegt hij. Iris neemt daarmee geen genoegen, en zo horen we over een kleine gemeenschap waarin niemand ooit helemaal vrij is van angst.
Om niemand te overbelasten, besluiten wij ‘s avonds een falafel te eten in een restaurantje en de nacht door te brengen in het guesthouse. Daar haalt Fadi ons de volgende ochtend op, om het ontbijt te gebruiken bij zijn ouders. Onvermoeibaar laadt moeder Fadi onze bordjes vol. Ook broertje Shadi zit aan, dezelfde levendige ogen en daarnaast een pijnlijke schouder, want hij heeft de vorige dag geholpen bij de olijfoogst (oktober is een drukke maand: die oneindige hoeveelheid boompjes moet worden geplukt, met de hand, olijfje voor olijfje). Elke Haarlemmerolie Herlaar (voor soepele spieren en omgang) biedt onmiddellijk haar diensten aan: een massage zou soelaas bieden, toch? Dat idee wordt met enthousiasme begroet, en Elke laat er geen gras over groeien. Het ontbijtje, dat toch al in het teken van overvloed stond, krijgt nu een haast bacchanaal karakter. Shadi sluit zijn ogen en geeft zich over aan haar vaardige handen. Wij kijken toe en maken voor de hand liggende, doch onweerstaanbare grappen die cirkelen rondom ds. Herlaars vele en diverse talenten en taboes in de Arabische cultuur- die in deze groene en schaduwrijke tuin overigens geen barrières opwerpen. Elke mag als beloning naast Shadi plaatsnemen op de schommelbank- en doet dit pas na drie keer daartoe te worden aangespoord, omdat zij de uitnodiging verstaat als een ritje op Shadi's schouders. Onbegrensde hilariteit (in een door checkpoints omgeven plekje op dees' aard).

Het afscheid, nadat het ontbijt is geëindigd met halawi (halva), Arabische koffie en baklava, is warm en vriendschappelijk. In Zebabdeh zijn we altijd welkom. Fadi belt nog even naar het checkpoint om de komst van drie Hollandse dames aan te kondigen. Geen probleem, laat ze maar komen, ze mogen er door. Vol verwachting klopt dus andermaal ons hart, als wij weer in de auto zitten. Maar daarover meer in deel II.

maandag 29 september 2008

feest!

Gisteravond was het Rosj haSjana. Dat vier je met familie. De familie van mijn joodse vriendinnen Tana en Medi woont in Istanbul. En de Stegemannen zijn ook slecht vertegenwoordigd in deze stad. Dus besloten wij de handen ineen te slaan. Medi nam een Turkse mee die bij haar op bezoek was. Mijn gasten Iris en Elke waren er ook bij. Zo kon het gebeuren dat op de donkere Olijfberg, waar het eens een keer niet stormde, vijf dames aan de dis zaten, die drie religies vertegenwoordigden. Het tafelgesprek ging over, hoe kon het ook anders, godsdienst. Alles op aangename, verstandige toon, een ironische opmerking nooit ver weg.
Toen ik eerder die dag boodschappen deed, snelden in West Jeruzalem mensen met bloemen en eten over straat, op weg naar familie en rijk gevulde tafels. In Oost Jeruzalem was het de gebruikelijke gekte van een uurtje voor het breken van de vasten. Maar voor het laatst, want de volgende dag zou het Eid alFitr zijn. Ook daar stralende gezichten. Vanmorgen deelde ik de bus met drie stevige kereltjes van rond de elf, die, toen ze van de schrik bekomen waren dat de adzjnabiyye blijkbaar een paar woorden Arabisch kende, likkebaardend vertelden dat ze voornemens waren falafel en houmous te eten bij Abou Shukri. Bij de Damascus poort lopen gezinnetjes, meisjes in jurken, jongetjes in pak. De olie sist, de koffie pruttelt. Joepie, het mag weer!

gesproken woord

Voor wie het leuk vindt mijn stem weer eens te horen:
deze weken ben ik in het programma Schepper & Co wekelijks een minuut of wat aan het babbelen over wat er op religieus gebied gebeurt in deze stad. Zo rond 10 over drie, op zondagmiddag (en je kunt het ook naluisteren via http://schepperencoradio.ncrv.nl/).
En nu we het daar toch over hebben: vanavond (maandagavond) begint joods nieuwjaar, Rosj haSjana. Overmorgen en de dagen daarna is het Eid alFitr, het einde van de Ramadan. Beide feesten die in familiekring gevierd worden. Allemaal goedgevulde buikjes dus komende week, en de hele stad in een opperbest humeur.
Ramadan kariim, Sjana Tovah!

zaterdag 27 september 2008

Roel beweegt zich in Jeruzalem

Roel was hier! Ik kon me van tevoren maar moeilijk een voorstelling maken van hoe dat zou zijn, deze blonde huisgenoot op bezoek in Jeruzalem. Roel is van het relaxte type en heeft een uitgesproken talent zaken in beweging te brengen- vooral figuurlijk, hij houdt van koffie drinken en niet van haasten en eindeloos struinen tussen de Damascus- en Jaffapoort.
Een bloemlezing van de Roel-week: op vrijdag kwam hij aan, en het busje vanaf het vliegveld zou hem bij Damascusgate afzetten. Dat leek me handig, want ik zou daar rond dezelfde tijd aankomen in een busje uit Ramallah. Had er alleen niet bij stilgestaan dat het ongelooflijk ontzettend druk zou zijn bij de D poort, vanwege de gecombineerde krachten van moslims richting Haram asSharif op hun heilige dag en joden richting Klaagmuur vanwege de aanstaande sabbat. Tussen de drommen moslims in wit en joden in goud en zwart vonden wij elkaar in een vrolijke en verbaasde omhelzing, maar niet voordat Roel telefonisch een aantal maal zijn locatie had toegelicht.
Er was de magie van een avond Taizé-liederen zingen ergens in de Oude Stad, in het gezelschap van twee joodse vriendinnen en vier bejaarde zusters, de knorrigste van welke steeds naar buiten glipt om de Ramadanvierende jeugd tot stilte te manen. Dan het mengsel van verwondering en vermoeidheid die Jeruzalem oproept, zodat regelmatig koffiedrinken noodzaak is,net als zeer ontspannen avondjes Jerusalem Hotel. De absurditeit van checkpoints. De lol van de wondere wereld van de Westbank.
Op een vrijdag gingen we op Westbank safari. Donderdagavond fiets ik Matthew tegen het lijf en glimmend kale bolletje, medestudent en de nieuwe piano-leraar in Zebabdeh. De energieke Zebabdiaanse priester Fadi ziet de jeugd graag lessen nemen, opdat een getalenteerde student op een dag de kerkzang kan begeleiden. Hij doet dat nu zelf, vol vuur, maar zijn pianovaardigheid kan niet tippen aan zijn redenaarstalent. Matthew gaat de volgende dag naar Z. Da’s mooi, kunnen we samen reizen, kan ik Roel dit dierbare dorp laten zien. ’s Ochtends rijden de Arabische bussen af en aan, iedereen wil bidden in de AlAqsa, maar wij zijn de enige passagiers naar Qalandia checkpoint. Bij Qalandia is het een gekkenhuis. Grote rijen mensen, oudere mensen, want die krijgen een vergunning van het Israëlische leger om naar Jeruzalem te reizen. Ze staat in de hete zon, omringd door onzekere jonge soldaten met machinegeweren. Wij reizen verder, in een busje naar Zebabdeh. De reis is prachtig, heerlijk om in het rappe, schuddende busje door de groene heuvels te rijden. In Zebabdeh is het eten en kletsen als gebruikelijk. Iets wat je makkelijk de hele dag voort kunt zetten, maar na een copieuze lunch besluiten Roel en ik af te reizen naar Nablus. Andermaal een vrolijke tocht in zo’n leuk busje. Ergens in een klein dorpje een jongetje met een onweerstaanbare glimlach die ons blijft toestralen. We worden er vrolijk van. In Nablus doen we een rondje markt, heet en druk en iedereen vast. Maar ik heb dorst en Roel wil roken. Ach, zegt Roel, kom, we kunnen best hier op een stoepje zitten en ons ding doen. Ik aarzel, maar de dorst wint. Dan zitten we en zijn langsparaderende Nablusianen en wij elkaar tot vermaak. En zo gaat het even later als terug bij Huwara checkpoint wachten tot de bus vol is weer. Roel gaat achter de bus een sigaretje roken, discreet, maar het loslopend manvolk voegt zich onmiddellijk bij hem, in voor een verzetje. Je mag niet roken, Ramadan! spreekt de hardliner vermanend. Mag ik een sigaretje?- de mooie jongen in het roze t-shirt. De wijze derde: Jij bent natuurlijk geen moslim, dus dan hoef je niet te vasten.
De volgende dag zijn we in Bethlehem. Roel heeft zich voorgenomen te gaan kledingshoppen: zijn oog valt op een zwarte djellaba met witte kefiyyeh. Staat briljant. Bethlehemmers kijken toe hoe de blonde sjeikh door hun straatjes stapt. Valt buiten alle kaders, ze besluiten unaniem dat hij een priester moet zijn.
En zo bewoog Roel zich behendig door alle verschillende werelden hier voorradig, en ontsnapte aan iedere poging in een hokje te worden ingedeeld- op buitengewoon lenige wijze bleef hij buiten de hokjes van de djellaba-baasjes in zijn Islamitische hotel (geen ongetrouwde stellen op één kamer, geen alcohol). Maar daar moet je hem zelf maar eens naar vragen. Net als naar alle andere verhalen over de stad.

woensdag 10 september 2008

Ramadan- vervolg


Ik loop in de omgeving van Damascusgate, Oost Jeruzalem, het Arabische gedeelte van de stad dus, en de Ramadan is in volle gang. Ik associeer die heilige maand vooral met afzien. De hele dag niet eten! Niet drinken! En dat in deze hitte! Terwijl ik me verheug op de sappige perzik die ik zojuist heb aangeschaft, maar uit pieteit nog niet opeet, bedenk ik me hoe lamlendig ik daarvan zou worden, dat ik niets gedaan zou krijgen, en uit mijn mond zou gaan stinken. Een hele maand lang lijden en afzien, hoe houden ze het vol.
Maar hoe meer moslims in allerlei gradaties van vroomheid ik erover spreek, hoe meer kanten van de Ramadan ik ga zien. Zoals alles in deze stad zijn er ook van Ramadan allerlei interpretaties mogelijk. Het blijkt dat er allerlei redenen zijn om wel (of juist niet) Ramadan te vieren. Volgens een arts is het de opmaat tot een godsvruchtig en gebalanceerd jaar, mijn kapper hoopt dat God (wiens bestaan hij betwijfelt) hem zijn voor het overige goddeloze leven zal vergeven.
Maar: Ramadan is iets dat gevierd wordt. Het lijkt erop dat de kern van de zaak niet afzien is. Hoe begroet men elkaar bijvoorbeeld tijdens deze heilige maand? Ramadan kariem! Allahoe Akram!
Een genereuze Ramadan! God is nog genereuzer!
Ramadan is een zoet feest, van vrijgevigheid, saamhorigheid en overvloed, niet zozeer van verdroogde kelen en van honger scheefgetrokken gezichten. Goed, overdag houdt iedereen zich voor zover mogelijk koest. Beoefent ´samad´, een van de eigenschappen van God: God heeft genoeg aan zichzelf, is zonder verlangens. En daarin oefent men zich overdag, om verlangens naar eten, drinken en seks los te laten, uit te stijgen boven jezelf, en een beetje als God te worden.
´s Avonds rond zevenen wordt het einde van weer een dag Ramadan met een luide knal bezegeld. De muezzins bezingen Allah´s grootheid. Nu is het tijd om Gods vrijgevigheid te vieren. Ramadan is de maand van de openbaring. Mohammed ontving in deze maand inspiratie voor de Qor´an. De vrome gelovige zet het niet meteen op een eten, maar spoedt zich naar de moskee. En dan het liefst naar de Al Aqsa, in de Oude Stad van Jeruzalem, en na Mekka de heiligste plek. Duizenden moskeegangers dringen zich door de nauwe straatjes van de Oude Stad. De gebeden kunnen wel twee uur duren, en pas daarna is het moment van overvloedig eten daar. Een gaarkeuken voorziet in eten voor mensen van buiten op het plein van de Al Aqsa. Niemand eet alleen. Families nodigen andere families uit. Overal gaan mensen met pannetjes over straat, in hun mooiste kleding. Als men uitgetafeld is, komt iedereen naar buiten. De straatjes van de Oude Stad zijn versierd met lichtjes, en de mooiste krijgt een prijs. Overal zijn stalletjes met voor wie nog plek heeft typische Ramadan-lekkernijen: pannenkoekjes gebakken in suikerstroop met witte kaas erin, koeken van sesamzaadjes, dadelsap.
Rond middernacht rolt iedereen zichzelf naar huis. Over niet al te lang, een uur voor zonsopgang namelijk, staat het ontbijt al weer klaar.
Ramadan kariem!

Blijft natuurlijk staan dat voor de vrome en toegewijde arts die ik sprak, het geen peuleschil kan zijn om de hele dag hard en geconcentreerd te werken, hoe overtuigend zijn donkere ogen me ook toestralen als hij zegt dat God hem helpt. En dan de bouwvakkers die ik 's middags bij St. George cathedral in de volle zon stenen zie sjouwen... Om nog maar te zwijgen over de arbeiders uit de West Bank die zich in alle vroegte bij de checkpoints melden. Sommigen staan al voor vieren in de rij om op tijd op hun werk te zijn, en pas tegen de avond keren ze terug, zelfde ritueel: in de rij. Dat is zonder Ramadan al beproeving genoeg.

woensdag 3 september 2008

zonnig en droog in Jeruzalem

Ik ben weer in Jeruzalem, fijn hier te zijn, maar ben een beetje verward. Of ik het zo warm heb vanwege een restje koorts, of vanwege de abrubte overgang van onbestendig naar uitzinnig zonnig. En waar ik me het meest thuisvoel. Hier zijn werk en bezigheden, belangrijk onderdeel van een normaal bestaan, in Amsterdam de meest vertrouwde mensen. Overgangsverschijnselen, vermoed ik.
Voor het overige is woensdag de Ramadan begonnen, wat zich overdag toont in een toename van het toch al niet geringe aantal loom rondhangende mannetjes in de Oude Stad en een uitbreiding in het assortiment van bakkertjes. Het altijd vrolijke duo Ben en Matt had me uitgenodigd om in de schemering naar de Damascus poort te komen. Daar gebeurt het, tijdens de Ramadan. Maar om half zeven was er alleen een kleine schermutseling tussen dorstige en geirriteerde jongemannen. Voor het overige leek iedereen thuis met rommelende magen op de bank te wachten op de lichtkogels die het einde van de eerste Ramadandag zouden inluiden. Pas toen men de eerste ronde eten op had, meldde zich de sahlap-verkoper, in zijn kielzog een jongetje met limonade, kebab-mannetjes en een kleuter die gebedjes uitventte, en werd het gezellig.
Verband met de Ramadan schijnt te houden dat de Westbank alvast de klok een uur heeft teruggedraait. Misschien scheelt het psychologisch dat men rond de klok van zessen al weer mag eten, in plaats van pas om zeven uur. De checkpoints zijn dus tot tijdsmachines getransformeerd. Palestijnen in Israel houden zich soms aan Israelische, en soms aan Palestijnse tijd. Guesthouse beheerder Ibrahim (in september woon ik weer op de Olijfberg) volgt in dezen de Westbank, zodat ik als ik om half vijf de uni verlaat, al om kwart voor vier thuis ben. Dat is nog eens efficient.